Vertaling: W.R.S.Kuiper

Genetisch Gemodificeerde Maïs (Zea mays) en Soja (Glycine soja)

of hun Natuurlijke Variëteiten

- Hebben Muizen een Voorkeur? -
 
 

"Devil-seeds: The false promises of the biotechnology" –(Touber, 99)
("Duivelszaden: De valse beloften van de biotechnologie", Vert.)

"Biotechnology offers a responsible way to enhance agricultural productivity today and in the future." –Monsanto Website
("Biotechnologie biedt een verantwoordelijke manier om landbouwproductiviteit te verbeteren, vandaag en in de toekomst.", Vert.)


Figuur 1: Genetische Manipulatie

© c.f. /beeldleveranciers

Ieder levend organisme is opgebouwd uit cellen. Iedere cel bevat DNA waarop erfelijke informatie is vastgelegd. Bij genetische modificatie worden genen -- kleine stukjes DNA code horende bij een bepaalde eigenschap - 'geknipt' uit één organisme en 'geplakt' in een ander. Op deze manier kan een genetische eigenschap van een vuurvliegje of een virus in bijvoorbeeld maïs worden ingeïntroduceerd. Greenpeace stelt dat het combineren van genen van verschillende soorten onnatuurlijk is en dat de effecten onvoorspelbaar zijn. Voor de plant, voor het milieu, en voor de consument. (http://www.greenpeace.org)

Ik heb altijd twijfels gehad rond genetische modificatie. Enkele van de toepassingen in geneesmiddelen, zoals de productie van insuline, komen naar mijn mening de maatschappij echt ten goede, maar genetisch gemanipuleerd voedsel heeft me nooit echt lekker gezeten. Niet vanwege de vraag wat voor gevolgen een wijziging in een organisme heeft voor de soortelijke identiteit ervan, ook al is dat een interessante vraag. Ook niet vanwege de mogelijkheid dat gevaarlijke eigenschappen per ongeluk overgebracht worden naar de genetische code van een organisme zonder dat dit onderkend wordt, al kan ook dat als gegronde reden worden beschouwd om de toepassing van deze technologie af te wijzen in de landbouw. Het gaat eerder om een aarzeling te geloven dat de technologie volkomen veilig is voor toepassing in voedsel, omdat er vanuit mijn optiek onvoldoende onderzoek is gedaan naar mogelijke schadelijke gevolgen.

Er zijn reeds een groot aantal genetisch gemodificeerde producten op de markt, het merendeel vermeldt dit niet op het etiket. Ik ben er niet geheel van overtuigd dat onderzoek sluitend aangeeft dat de technologie onschadelijk is. Terwijl er jaren van proefneming op zowel dieren als mensen overheen gaan om de veiligheid van de technologie te garanderen in medicijnen, is er maar heel weinig onderzoek gedaan naar genetische modificatie in voedsel. Ik vind dat het gedane onderzoek ontoereikend is om mijn bedenkingen opzij te kunnen zetten. Blijkbaar delen ook andere mensen in deze mening, aangezien verscheidene landen, waaronder Denemarken en Japan, ervoor hebben gekozen de import van genetisch gemanipuleerd voedsel te verbieden. (Genetic ID, 00)

Eén aanleiding voor mijn bezorgdheid is het in mijn bezit zijnde verslag van een Hollandse boer (Lutz, 99.) Hij had twee hopen met maïs (Zea Mays) achtergelaten in een schuur die vergeven was van de muizen. Eén van deze stapels bestond uit genetisch gemodificeerde maïs, de andere uit natuurlijke maïs. Naar verluidt lieten de muizen het gemodificeerde maïs onaangeroerd, terwijl het natuurlijke maïs compleet soldaat werd gemaakt. De boer trok hieruit de conclusie dat als zelfs muizen weigerden te eten van genetisch gemodificeerde maïs, er wel iets heel erg verkeerds mee aan de hand moest zijn.

Een onvolledig verslag zoals dit is natuurlijk van weinig wetenschappelijke waarde, maar het wekte wel mijn nieuwsgierigheid. Dus besloot ik om zelf een proef te doen om te zien of muizen, onder gecontroleerde omstandigheden, een voorkeur aan de dag leggen ten opzichte van gewoon of van GM voedsel. Zelfs na uitgebreid zoeken op het internet en in ecologische tijdschriften en nieuwsartikelen, wist ik geen precedent te vinden voor dit experiment: het was simpelweg nooit eerder gedaan. Ik wilde echter ook onderzoeken, voortbouwend op mijn vraagstelling, of de verschillende levensmiddelen waarneembare verschillen veroorzaakten in lichaamsbouw, gedrag, of groei bij de muizen. De ontwikkelaars van het genetisch gemodificeerde zaad hadden dit soort laboratoriumproeven uitgevoerd, al zij het voornamelijk op ratten in plaats van muizen, om te onderzoeken of er schadelijke uitwerkingen optraden, dus ik zou mijn eigen resultaten naast die van hen kunnen leggen. Al hun onderzoekers beweren eensgezind geen schadelijke uitwerkingen te hebben aangetroffen (Monsanto Website.)

Een aantal onafhankelijke onderzoekers beweert echter wél schadelijke uitwerkingen te hebben aangetroffen: er is aangetoond dat genetisch gemodificeerd tryptofaan hartklachten, hoofdpijn en vermoeidheid veroorzaakt bij mensen. (Juist, 00.) Tomaten verkocht in Amerikaanse supermarkten veroorzaakten aantoonbare schade aan de ingewanden van ratten (Juist, 00.) Maar het verhaal rond Dr. Arpad Pusztai is nog ontstellender: in 1998 had hij onderzoek gedaan op ratten, hij voerde hen genetisch gemodificeerde aardappelen, en hij had ontdekt dat tien dagen na het begin van de proef de ratten aan een verzwakt immuunsysteem leden. Twee dagen later werd hij gedwongen zijn ontslag te nemen van het Rowett instituut in Aberdeen onder de beschuldiging dat hij voorlopige resultaten kenbaar had gemaakt aan het publiek zonder dat deze waren gecontroleerd door andere wetenschappers. In februari 1999 publiceerde de krant 'the Guardian' een verklaring in het openbaar namens wetenschappers van over heel Europa, Canada, en de Verenigde Staten, die hierin aangaven al Pusztai’s gegevens te hebben nagekeken en geconcludeerd te hebben dat hij zich met recht zorgen maakte omtrent de uitwerking op ratten. Na slechts tien dagen vertoonden de ratten tekenen van schade aan nieren, de thymus, milt, en ingewanden. Niet alleen deze uitwerkingen verontrusten mij, maar ook het feit dat wetenschappers die tegenstand bieden aan de grote bedrijven zo gemakkelijk in diskrediet worden gebracht. Persoonlijk vrees ik dat deze bedrijven teveel belang geïnvesteerd hebben in hun eigen producten, waardoor hun onderzoek niet langer als geloofwaardig kan worden beschouwd. Dit was voor mij een extra reden om GM producten aan een eigen onderzoek te onderwerpen.

Hypothese

Gedeeltelijk op basis van het eerdergenoemde verslag van de Hollandse boer en mijn eigen weerzin van genetisch gemodificeerd voedsel, verwacht ik dat muizen een voorkeur zullen tonen voor voedsel dat niet genetisch is gemodificeerd, of het nu gaat om maïs of soja of een willekeurig ander product en onafhankelijk van de voedselverwerkingsprocessen die de proefmonsters mogelijkerwijs hebben ondergaan. Ik verwacht echter niet in staat te zijn belangrijke verschillen waar te nemen in de manier waarop de muizen zich gedragen of hoe zij zich lichamelijk ontwikkelen, aangezien deze experimenten reeds eerder zijn uitgevoerd en (naar men beweert) de onderzoekers geen verschillen konden ontdekken tussen muizen die werden gevoerd met genetisch gemodificeerd voedsel en muizen die van gewoon voedsel leefden. Ook heb ik geen toegang tot wetenschappelijke apparatuur of ben ik bevoegd schade vast te stellen aan inwendige organen of systemen. Bovendien heb ik weinig ervaring met dierlijk gedrag in het algemeen en het gedrag van muizen in het bijzonder. Tot slot, ondanks dat Dr. Pusztai binnen tien dagen meetbare verschillen opmerkte, kan ik er niet zeker van zijn dat de duur van mijn experiment, en zelfs de gevoeligheid van het door mij gebruikte muizenras, voldoende zullen zijn om significante verschillen waar te kunnen nemen.

Opzet

Ik vond dat om een geldige conclusie te kunnen trekken uit zo'n experiment, ik het maximaal haalbare aantal muizen moest gebruiken, zodat ik enige statistieken kon opstellen. Ik wist een herpetologisch instituut te vinden dat mij kon voorzien van 30 vrouwlijke, zes weken oude muizen (Mus musculus – Self Pink Eyed White variety.) Ik besloot vrouwlijke muizen te gebruiken omdat deze meestal gedweeër zijn, en dus hoopte ik dat ze minder zouden vechten en makkelijker zouden zijn in het hanteren. Ze verspreiden ook een minder sterke reuk, wat een voordeel was omdat ik zou werken in een omgeving waar ook anderen moesten werken. Ik besloot dat deze voordelen opwogen tegen de nadelen van de vrouwlijke hormonale schommelingen, welke te wijten zijn aan hun vruchtbaarheidscyclus, reden waarom laboratoriumdieren gewoonlijk mannelijk zijn. In wezen zou ik twee experimenten uitvoeren: Eén om te testen op voorkeur en één om te testen op schadelijke uitwerkingen. Ik besloot ieder experiment ongeveer een week lang te laten lopen, met ruimte voor enige aanpassing afhankelijk van hoe mijn resultaten zich voordeden. Ik besloot eerst alle muizen te testen op hun voorkeur. Omdat muizen nominaal gezien niet erg veel eten, leek het mij van belang ieder potentieel verschil in de consumptie van GM en niet-GM voedsel duidelijker zichtbaar te maken door net zoveel muizen te gebruiken als ik maar kon. Na de consumptie van een aantal voedselproducten met elkaar vergeleken te hebben, verdeelde ik de muizen onwillekeurig in twee groepen en voerde hen uitsluitend GM dan wel niet-GM voedsel om te testen op uitwerkingen.

Het voedsel moest voldoen aan een aantal criteria. Allereerst moest ik twee voedselproducten vinden met als enig onderscheid dat de één genetisch is gewijzigd en de andere niet. Dit zou moeilijk worden, omdat heel weinig leveranciers zowel GM als niet-GM versies van hetzelfde gewas verbouwen. Ook was het nodig dat deze op identieke wijze zouden zijn verwerkt. Uiteindelijk zou het denkbaar blijven dat een mogelijke voorkeur gebaseerd zou zijn op smaak, omdat ik op geen enkele wijze kan garanderen dat de muizen geen verschil zullen kunnen proeven tussen twee producten die mij eender smaken. Door een verscheidenheid aan producten te testen kan dit probleem tot een minimum worden teruggebracht, indien de resultaten vergelijkbaar zijn. Indien blijkt dat de muizen de niet-GM versie van drie verschillende producten prefereren, dan is het al veel minder waarschijnlijk dat dit enkel een kwestie is van smaakverschil. Het zou van belang zijn voldoende voedsel aan te leveren, anders zouden de muizen hun weerzin jegens een product misschien overwinnen enkel doordat zij hongerig genoeg raakten. Dat zou mijn resultaten ongunstig beïnvloeden.

Muizen eten dagelijks ongeveer 15% van hun eigen lichaamsgewicht, en met dertig muizen van ieder rond de 18-20 gram houdt dit een dagelijkse hoeveelheid in van ongeveer 90 gram (mouse@horns, ‘00.) Muizen hebben behoefte aan een gevarieerd dieet en dus is het niet echt uitvoerbaar hen enkel de keus te geven uit twee versies van één soort voedsel (Eva’s Mouse Care Page.) Ik besloot in een hoofdvoer te voorzien naast de twee producten die ik ging vergelijken, zodat de muizen wat keus hadden en het voedsel konden eten dat hun voorkeur had. Beide groepen ontvingen dezelfde hoeveelheid van dezelfde hoofdvoeren, zodat afwijkende resultaten niet konden voortkomen uit verschillen in deze. Voor GM-voedsel zou ik gebruik maken van maïs en soja aangezien deze producten het makkelijkste verkrijgbaar zijn in genetisch gemodificeerde vorm. Bij een plaatselijke natuurvoedingswinkel kon ik biologisch geteelde versies bemachtigen, waarvan men garandeert dat deze vrij zijn van genetisch gemodificeerde ingrediënten. Voor het hoofdvoer besloot ik gebruik te maken van knaagdierenmix uit de dierenwinkel, havermout, en graanproducten. Ik had geen enkele garantie dat de knaagdierenmix niet GM was, maar het is van muizen bekend dat ze het eten, en beide groepen zouden hetzelfde voedsel krijgen. Ik zou gebruik maken van Quaker en Kellogg’s ontbijtproducten en havermout waarvan de fabrikanten garanderen dat ze in Nederland GM-vrij zijn. Natuurlijk zou ik ad libitum voor water zorgen. Ik hield op iedere dag van de test het voedselverbruik bij. (Zie Aanhangsel 1.)

De kooien voor de muizen moesten groot zijn. De eerste kooi zou comfortabel de ruimte moeten bieden aan 30 muizen. Jammer genoeg zijn alleen hamsterkooien groot genoeg voor zoveel muizen, en daarvan staan de tralies te ver van elkaar om te voorkomen dat de muizen kunnen ontsnappen. Om dit op te lossen was het nodig de hele kooi in een metalen muskietennet te hullen. Ik heb een aantal foto’s van de opstelling bijgevoegd, zoals deze was op het einde van de experimenten, in Aanhangsel 4.

De Uitvoering -- Voorkeur

Tussen donderdag 3 augustus en dinsdag 8 augustus kocht ik drie grote kooien (één voor de voorkeurproef, en twee voor de uitwerkingsproeven), 6 identieke voedselbakjes, 6 kleine drinkflessen, iets minder dan 8 vierkante meter muskietennet, 10 kg bodembedekking van zaagsel en houtspaanders, en 1 kg knaagdierenmix. Tot slot, op dinsdag de 8ste, kocht ik mijn 30 muizen van het herpetologisch instituut en begon het feitelijke experiment. Eerst woog ik alle muizen en bracht hen onder in hun kooien. Ik wist dat de muizen al een tijdje niet hadden gegeten, en plaatste 4 bakjes in de kooi met daarin afgemeten hoeveelheden GM en biologisch sojameel en maïsmeel. Aangezien ik van plan was spoedig terug te keren, deed ik er geen hoofdvoer bij. De muizen begonnen meteen te eten, en ik hield bij waar hun voorkeur leek te liggen door om de minuut te kijken hoeveel muizen er bij iedere bak waren. Dit gaf me de eerste resultaten van het experiment, uitgestald op de volgende pagina in Tabel 1


 

Tijd

Aantal muizen bij iedere bak

Maïsmeel

Sojameel

GM
Natuurlijk
GM
Natuurlijk
19:29
1
6
0
0
19:30
1
7
0
0
19:31
2
8
0
1
19:32
3
7
0
0
19:33
1
7
0
0
19:34
2
8
0
0
19:35
1
7
0
0
19:36
1
7
0
0
19:37
2
6
0
0
19:38
3
4
0
0

Tabel 1: Aantal muizen etend van verschillend voedsel, 8 Augustus


 
Voedsel:
Gewicht: (g)
Verschil
GM
Niet-GM
NGM-GM
Maïsmeel 8/8
6.0
9.4
3.4
Sojameel 8/8
1.3
1.6
0.3
Sojabrokken 10/8
5.0
13.2
8.2
Sojabrokken 11/8
9.5
15.0
5.5
Sojabrokken 13/8
11.6
22.2
10.6
Sojabrokken 16/8
10.7
12.5
1.8
Maïsmeel* 27/8
43.3
67.1
23.8
Maïsmeel** 27/8
2.0
2.2
0.2
Sojabrokken 27/8
5.1
5.9
0.8
Raapzaad 27/8
0.0
0.0
0.0

* Andere bron dan 8/8
** Later dezelfde dag
Tabel 2: Consumptie (grammen) van GM en Niet-GM Voedsel

Het eerste wat mij opviel, was dat de muizen hun eerste prioriteit helemaal niet bij het eten leken te plaatsen. De meeste muizen gingen er eerst op uit om de kooi te verkennen. Ook zetten zij zich niet onmiddelijk aan het voedsel zo gauw ze het aantroffen. De muizen kropen vrijelijk beide bakken in en uit, wat het moeilijk maakte bij te houden welke muizen daadwerkelijk aan het eten waren. Het is natuurlijk mogelijk dat het GM maïs, dat was gemodificeerd tot Bt maïs (Bacillus thuriengiensis), en als zodanig een zwak natuurlijk pesticide produceert, anders rook of smaakte. De sociale structuur kan ook van invloed zijn geweest op het eetgedrag van de muizen, hen bij elkaar houdend. Desalniettemin vond ik deze eerste resultaten opmerkelijk. Blijkbaar houden muizen helemaal niet van soja, in hoge mate de voorkeur gevend aan het maïs; maar zij leken het biologische maïs ook te preferen boven het genetisch gemodificeerde maïs met een factor van bijna 4. Dus mijn eerste resultaten waren veelbelovend. Ik besloot de muizen hun gang te laten gaan, en later die avond te meten hoeveel van de voersoorten verbruikt was. Ik ging er gedurende die hele week mee door de muizen de keus te bieden tussen GM en natuurlijk voedsel, naast het hoofdvoer, iedere testdag opmetend hoeveel de muizen hadden geconsumeerd. Ook woog ik de muizen halverwege het experiment, op de 11e, en op het eind, op de 16e. De resultaten over dit deel van het experiment zijn nogal uitgebreid en daarom worden zij getoond in Aanhangsel 1. Links van Tabel 2 is een korte samenvatting te vinden. Om zinvollere resultaten te behalen en een vergelijkende grafiek te kunnen tekenen, berekende ik hoeveel van ieder voer de muizen hadden gegeten gedurende de tijdsintervallen waarop zij de keus hadden gehad tussen GM en niet-GM voedsel. De resultaten waren opvallend: Op ieder van de tijdsintervallen hadden de muizen meer geconsumeerd van het niet-GM dan van het GM voedsel. Door de gegevens over te zetten in de grafieken Figuur 2 en Figuur 3 wordt het opvallende contrast zichtbaar. Omdat de praktijk mij er jammer genoeg van weerhield om iedere dag op dezelfde tijd te meten en de muizen te voeren, zijn de resultaten individueel slecht vergelijkbaar. Toen ik bijvoorbeeld op de 25e de muizen voerde, wist ik dat ik niet in staat zou zijn hen op de 26e te bezoeken, en dat is waarom de muizen zoveel gegeten hadden op de 27e. Wat de resultaten dus suggereren, is dat de muizen een duidelijke voorkeur hebben voor het niet-genetisch gemodificeerde voedsel wanneer hen de keuze wordt geboden uit beide. Dit wordt nog eens ondersteund door de waarnemingen die ik deed op 8 augustus, weergegeven in Tabel 1. Natuurlijk kan ik nog steeds niet met zekerheid zeggen of muizen alle genetisch gemodificeerde voedselproducten zullen afwijzen, alleen dat de muizen de voorkeur gaven aan de natuurlijke vorm van de producten waarin ik hen voorzag. Niettemin bevestigt dit mijn hypothese dat de muizen de voorkeur geven aan het natuurlijke boven het genetisch gemanipuleerde.

Figuur 2: Consumptie van GM en Niet-GM Voedselproducten
* Andere bron dan 8/8
** Later dezelfde dag
 
Figuur 3: Totale Consumptie van GM en Niet-GM Voedselproducten
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

Uitvoering -- Uitwerkingen
 
 
 
Groep
Datum/Gewicht(gr.)

GM
16/8/00
23/8/00
26/8/00

GM Gemiddelde
20.69
21.34
20.87
GM Mediaan
20.70
22.15
21.00
Std Dev.
1.849681
3.539603
3.088253
GM Gemiddelde Groei
0.65
-0.47

Niet-GM

Niet-GM Gemiddelde
18.86
19.66
19.91
Niet-GM Mediaan
19.30
20.90
20.40
Std Dev.
3.969035
4.543229
6.382002
Niet-GM Gemiddelde Groei
0.80
0.25

Gepaarde Studenten T-test

significantheid (nul hypothese)
0.0432

Table 3: Gemiddeld en Mediaan Gewicht van 14 Muizen
gevoerd met GM en 14 muizen gevoerd met niet-GM voedsel
gedurende 10 dagen

Om de uitwerkingen van genetisch gemodificeerde voedsel te testen, richtte ik de twee ongebruikte kooien op identieke wijze in, en deelde de muizen op in twee gelijke groepen. Tegen deze tijd had ik de muizen reeds drie maal gewogen, en jammer genoeg was er één om onbekende reden overleden, waardoor ik met een oneven aantal achterbleef. Daarom moest ik een tweede muis uit het experiment verwijderen, welke ik achterliet in de reeds gebruikte kooi, wat mij overliet met 14 muizen in iedere kooi. Ik voerde beide kooien dezelfde hoeveelheid van hetzelfde soort voedsel, met als enig onderscheid dat ik de muizen in de ene kooi genetisch gemodificeerd voedsel gaf, terwijl de andere kooi natuurlijk en biologisch voedsel ontving. Beide groepen muizen kregen vergelijkbare hoeveelheden van verscheidene hoofdvoeren gedurende het experiment om er zeker van te zijn dat zij geen tekorten kregen door gebrek aan variatie. Aan het begin van het experiment woog ik alle muizen uit beide groepen, waaruit bleek dat de groep muizen die ik genetisch gemodificeerd voedsel gaf, gemiddeld net iets zwaarder woog dan de natuurlijke groep. Voor een periode van ongeveer één week hield ik bij hoeveel voedsel de twee groepen iedere dag consumeerden en ook mat ik de gewichten één maal halverwege en nog eens op het eind. De onverwerkte gegevens van voedselverbruik uit dit deel van het experiment zijn weergegeven in Aanhangsel 2, en alle muisgewichten staan in Aanhangsel 3. De muizen gevoerd met GM-voedsel aten in het algemeen meer, wat ik toeschrijf aan hun hogere gemiddelde gewicht. Hun gemiddelde groei, zoals zichtbaar in Tabel 3, is echter iets lager dan de groei die aan de dag gelegd werd door de muizen die leefden van natuurlijk voedsel. Dit kan te wijten zijn aan het feit dat de muizen reeds zwaarder waren, maar volwassen muizen bezitten een gemiddeld lichaamsgewicht van ongeveer 35-50g en zelfs mijn zwaarste muis zat nog onder de 25g. Een zes weken oude muis is natuurlijk niet volgroeid, en dus kon ik verwachten dat de muizen zouden groeien. De gemiddelde gewichten van de muizen gevoerd met natuurlijk voedsel leken een natuurlijke groeicurve te benaderen. In contrast hiermee, na ongeveer een week, begonnen de muizen die GM-voedsel gevoerd werd gewicht te verliezen. Ik vind de mediaanwaarden enigszins misleidend omdat ik niet genoeg waarden heb om een goede indruk te geven van het middelpunt. Ook is het voornaamste voordeel van mediaan boven gemiddelde dat extreme waarden genegeerd worden, maar die heb ik niet echt in deze verzameling gegevens. Het overzetten van de gegevens uit Tabel 3 naar de grafieken Figuur 4a en 4b maakt het verschil nog opvallender. Ik paste de gepaarde studenten T-test toe, die uitgaat van een tweestaartige verdeling, om te zien of het verschil significant was. Het significantieniveau was 4,3%, wat inhoudt dat er een significant verschil was in de resultaten, meer dan redelijkerwijs toegeschreven kan worden aan toeval.

Mijn observaties van het gedrag van de muizen in de twee kooien leverde wel een aantal verschillen op, maar aangezien ik aan het beoordelen was wat voor indruk ik van de muizen kreeg, handelt het hier om subjectieve observatie en telt het als zodanig niet zwaar mee in dit experiment. Niettemin merkte ik op dat de muizen die GM-voedsel aten minder actief leken in hun kooi. De verschillen in activiteit tussen de twee kooien nam toe naarmate het experiment vorderde. Gedurende de tijd die ik bij hen doorbracht, stelde ik vast dat de muizen in de niet-GM kooi vaker in het muizenrad waren dan bij de GM kooi. En iedere keer dat ik in de kamer kwam waren er gewoonlijk ook meer muizen in de niet-GM kooi die rondliepen of klommen dan in de GM kooi.

Het meest opvallende verschil viel mij echter op toen ik mijn muizen woog op de 23ste. Ik betwijfel of de muizen het plezierig vinden gewogen te worden, gezien ze tijdelijk verwijderd worden van de veiligheid van hun kooien en hun medemuizen en in een gesloten wasmand geplaatst worden met wat zaagsel. De muizen uit de GM kooi kregen het er echter duidelijk benauwder van dan de andere muizen. Vele renden als maar rond in de mand, wanhopig krabbelend in het zaagsel, en sprongen zelfs paniekerig tegen de wanden op, iets wat ik nog nooit gezien had. Ze waren duidelijk veel zenuwachtiger dan de muizen uit de andere kooi, welke zich niet zenuwachtiger gedroegen dan wanneer in hun kooi. Voor mij was dit het meest verontrustende bewijs dat GM-voedsel niet helemaal normaal is (beseffend dat er genetisch gemodificeerd materiaal zit in ongeveer 60% van de producten in de Nederlandse supermarkten.)

Een ander interessant resultaat is dat ik één van de muizen in de GM kooi dood aantrof toen ik alle muizen woog op de 26ste. Natuurlijk schrijf ik dit niet meteen toe aan het feit dat de muis genetisch gemodificeerd voedsel at, maar het is een interessant gegeven om bij stil te staan.
 
Figuur 4a: Gewicht van de muizen gedurende10 dagen
Figuur 4b: Groei van de muizen gedurende 10 dagen

Conclusie

Na afloop van alles, moet ik toegeven dat het experiment niet echt geholpen heeft om mijn angstige voorgevoelens ten opzichte van genetisch veredeld voedsel tot rust te brengen. Mijn eerste experiment lijkt te hebben bevestigd waar die boer enige tijd geleden melding van maakte: de muizen in mijn experiment prefereerden inderdaad natuurlijk voedsel ten opzichte van hun genetisch gemodificeerde equivalenten. Tot dusver was mijn hypothese bevestigd. Het tweede experiment voorzag me van enige aanwijzingen, maar niets dat niet misschien te wijten valt aan andere factoren. Desalniettemin wijzen al deze indicaties in dezelfde richting: GM-voedsel is opmerkelijk verschillend van haar natuurlijke tegenhangers, in tegenstelling tot wat de fabrikanten, de Amerikaanse Food and Drug Administration, en de Amerikaanse overheid beweren. Ik denk dat het de wetten van het toeval wel erg onder druk zet om te geloven dat van alle verschillen die ik waarnam, het neurotisch gedrag, de verminderde activiteit, de verminderde groeisnelheid, de dood van de GM-gevoerde muis, en de duidelijke voorkeur voor niet-GM voedsel, er geen enkele voortkwam uit het feit dat het voedsel genetisch gemodificeerd was.

Doorgaand op de dood van de GM-gevoerde muis, denk ik dat het mogelijk is dat dit Dr Pusztai’s conclusie uit zijn experimenten op ratten bevestigt. Hij ontdekte dat de ratten na tien dagen leden aan een opmerkelijk verzwakt immuunsysteem. Dit zou de reden kunnen zijn waarom de muis overleed. Het zou zelfs de doodsoorzaak kunnen zijn van de muis die stierf gedurende de voorkeurproef aan het begin, ook al is dat natuurlijk speculatie. Dit kan aan veel verschillende factoren te wijten zijn geweest, zoals stress of een genetisch defect of een heel scala aan andere mogelijkheden. Niettemin, mijn resultaten lijken overeen te stemmen met Pusztai’s conclusie.

In terugblik weet ik een aantal manieren te bedenken om het experiment nog te verbeteren. In verder onderzoek zou ik gebruik kunnen maken van andere organismen, zoals ratten, termieten, of cavia’s. Het is mogelijk dat de uitwerkingen duidelijker zichtbaar zouden zijn, indien ik gebruik maakte van gevoeligere proefdieren, zoals onvolwassen, of drachtige dieren. Beide geslachten van de dieren gebruiken, in plaats van alleen wijfjes, zou ook kunnen bijdragen aan de betrouwbaarheid van mijn resultaten. Daarnaast was ook één van de problemen in dit experiment dat ik niet met zekerheid kon vaststellen wat voor voedsel de muizen hadden gegeten voordat ze in mijn bezit kwamen. Ik wist dat hen een goedkope huisdieren-mix was voorgezet, maar of deze genetisch gemodificeerd was weet ik niet.

De duur van het experiment verlengen, meer proefdieren gebruiken, en de proefdieren slechts één maal gebruiken zijn enkele simpele manieren waarop het experiment verbeterd zou kunnen worden. Natuurlijk zijn geen twee dieren exact hetzelfde, en dus zal ieder experiment met levende materialen minder goed herhaalbaar zijn dan één zonder. Het kostte ook enig uitproberen om vast te stellen hoeveel voedsel de muizen moesten krijgen om optimale resultaten te behalen, en dus denk ik dat als ik het experiment zou herhalen, ik de resultaten zou kunnen verbeteren door geschiktere hoeveelheden voedsel te gebruiken. Natuurlijk heb ik geen inzicht in de sociale structuur binnen de kooien die van invloed kan zijn geweest op het voedselverbruik, maar meer muizen gebruiken en het experiment vaker herhalen zou de invloed van deze onzekerheid afzwakken.

Dit experiment is een goed praktisch voorbeeld van het problematische aan vaststellen met hoeveel gewicht bewijs meetelt. Hoeveel muizen en hoeveel verschillende genetisch veranderde producten heb je nodig voordat je kunt stellen dat alle muizen de voorkeur zullen geven aan alle natuurlijke producten boven hun GM equivalenten? In mijn geval beperkte de praktijk me tot 30, maar men zou kunnen beargumenteren dat dit er niet genoeg zijn. Het is waar dat een groter aantal muizen de resultaten waardevoller zou maken. Eveneens zouden meer verschillende producten, gewijzigd op meer verschillende manieren, ook het aantal mogelijke verklaringen verminderen voor de voorkeur en uitwerkingen die ik waarnam. Maar zelfs dan blijft nog het probleem dat twee te vergelijken groepen niet op dezelfde plaats en tijd kunnen bestaan en dus zullen er altijd verschillen zijn. De muizen in een omgeving houden die zij als natuurlijker ervaren zou ook een betrouwbare manier zijn om de resultaten zinvoller te maken, omdat de omgeving dan minder storende invloeden zal bijdragen. Geen gebruik maken van hoofdvoer zou de resultaten misschien verduidelijken, maar ik heb dat wel gedaan omdat ik slechts beperkte ervaring had met muizen en daarom heb ik het advies opgevolgd dat ik aantrof op Eva’s Mouse Care Page.

Ik denk niet dat het mogelijk is het bewijs te leveren, voorbij iedere twijfel, dat GM-voedsel ongezond is. Men kan altijd beargumenteren dat voorkeur toe te schrijven valt aan een smaakverschil. Alle andere verschijnselen kunnen van de hand gewezen worden met het niet-genetisch-identiek-zijn van de muizen. Desondanks, denk ik dat mijn resultaten duidelijk zijn en voor zichzelf spreken. Ik denk dat verder onderzoek naar mogelijke schadelijke uitwerkingen van genetische modificatie verstandig is, en ik denk dat het van belang is dat dit onderzoek wordt uitgevoerd door een onafhankelijk, onbevooroordeeld instituut. Totdat een dergelijk instituut erin slaagt mij te overtuigen van de veiligheid van GM-voedsel, zal ik uitgaan van de resultaten uit de eerste hand die mijn experiment heeft geleverd, en die geven mij aanleiding wel twee keer na te denken over het nuttigen van genetisch gemodificeerde materialen waar ik de keus heb.

Ik kan dus concluderen dat, wetenschappelijk gezien, ik niet daadwerkelijk iets bewezen heb. Mijn experiment had simpelweg te veel variabelen die ik niet allemaal kon beheersen. Persoonlijk echter, geloof ik iets waardevols gewonnen te hebben uit dit experiment. Ik heb genoeg aanwijzingen gevonden om mijzelf, en hopelijk een paar anderen, ervan te overtuigen genetisch gemanipuleerd voedsel te vermijden, en als in de toekomst wordt aangetoond dat genetische manipulatie wel degelijk schadelijke bijwerkingen heeft voor de menselijke gezondheid, zal ik in de comfortabele wetenschap verkeren dat ik er alles aan gedaan heb om mij van mijn gezondheid te verzekeren. Ik zou de lezer willen suggereren zich ook van de toekomst te verzekeren.
 
 

Bibliografie van Gebruikte Bronnen

Biotechnology Industry Organization – Trade Association for Biotechnology,

http://www.bio.org/welcome.html, 8 Augustus, 2000.

"Charles tells why he won’t touch it," Daily Mail, 22 Februari, 1999.

Derbyshire, David. "Ladybirds are threatened by GM crops," 3 Maart, 1999, p.16.

Eva’s Mouse Care Page,

http://www.users.wineasy.se/dan.johansson/eva/mus/care/muscare.htm, 3 Augustus, 2000. Food and Drug Administration Homepage, http://www.fda.gov/, 2 September, 2000. "Frankenstein Foods – Genetically modified foods can deliver great benefits. It would be wrong to slow their development," The Economist, 20 Februari, 1999, p.17. Genetic ID, http://www.genetic-id.com/, 23 Juli, 2000.

"Genetically Modified Food – Food for thought," The Economist, 19 Juni 1999, p.23.

Genetically Modified Food - Ingredients to Watch, http://www.connectotel.com/gmfood/gming.html, 7 Augustus "Genetically Modified free trade," The Economist, 20 Februari, 1999, p.94.

Gerber Drops Genetically Modified Ingredients,

http://www.mylifepath.com/article/remedy/100200867, 8 Augustus, 2000.

"GM Crops can cross-pollinate: official," Guardian Newspaper, Donderdag 17 Juni, 1999.

GMF Research Mailing List, ddey@mum.edu, 12 Februari, 1999.

Greenpeace – Genetische Manipulatie, http://www.greenpeace.nl/gminfo/, 27 Juli, 2000.

Greenpeace International: Genetic Engineering, http://www.greenpeace.org/~geneng,

6 Augustus, 2000.

Jo Revill, "13 companies own 80% of GM patents," Evening Standard 23 Maart, 1999, p.20.

Juist, Niels. "Mismaakte Groenten," (Imperfect Vegetables) p. 61, AD Magazine 2 September, 2000.

Monsanto – A leading provider of agricultural solutions to growers worldwide, http://www.monsanto.com/, 20 Augustus, 2000.

Mouse@horns - keeping pet mice healthy and happy,

http://www.horns.freeserve.co.uk/mouse.htm, 27 Juli, 2000.

NPG Homepagina, http://utopia.knoware.nl/users/archief/NPG/mainmenu/index_nl.html,

7 Augustus, 2000. (noot: locatie anno 2001 is: www.platformgentechnologie.nl - JMA red.)

The Left-Handed DNA Hall of Fame, http://www-lmmb.ncifcrf.gov/~toms/Leftwhole.html, 2 September, 2000.

The Path to DNA repair, http://ehpnet1.niehs.nih.gov/docs/1999/107-8/niehsnews.html, 26 Augustus, 2000.

The Prince of Wales Online Forum, http://www.princeofwales.gov.uk/forum/, 2 Augustus, 1999.

Touber, Tijn. "De mythe van de biotechnologie of: Wat is er eigenlijk mis met de
natuur," (The myth of biotechnology or: What’s actually wrong with nature) p. 42, Ode 25.

Welkom op de pagina van het Nederlands Platform Gentechnologie,

http://utopia.knoware.nl/users/archief/NPG/, 7 Augustus, 2000. (noot: locatie anno 2001 is: www.platformgentechnologie.nl - JMA red.)
 
 


Dankbetuigingen

In het bijzonder wil ik graag mijn dank betuigen aan de volgende mensen en organisaties voor hun hulp bij de verwerkelijking van dit ambitieuze project:

- Laser Images Inc (http://www.laserium.com) voor hun toestemming gebruik te maken van hun afbeelding op mijn omslag. - Franz Lutz voor zijn hulp bij het brainstormen naar mogelijkheden voor mijn variabelen en opstelling.

- Roelf Havinga voor zijn hulp in het vinden van genetisch gemodificeerde producten.

- Micha Kuiper voor zijn interesse en achtergrondinformatie.

- Trix Kruger voor haar informatie en advies voor verschillende aanpakmogelijkheden.

- Fred Foundation voor het vergoeden van mijn onderzoekskosten.

- MeLuNa Biophoton Research voor het ter beschikking stellen van de ruimte om mijn experiment uit te voeren.

- Mijn moeder, Guusje Hogendoorn, voor haar ideeën, advies, opgewektheid, tomeloze energie, en thee op de avonden dat wij laat thuiskwamen uit het laboratorium.

- Mijn vader, Herre Hogendoorn, voor zijn hulp dit verslag tot stand te brengen en voor het onvermoeibaar lezen en herlezen van dezelfde tekst om er zeker van te zijn dat deze alles is wat ze zijn kan.

- Egon Massink voor zijn praktische ideeën en voor het verdragen van de lucht van 30 muizen op slechts enkele meters afstand van zijn praktijk.

- Casper Stokhuyzen, Felicia Sutjahjo, en Anneke Renckens voor het met mij meegaan wanneer ik iedere dag voor de muizen ging zorgen.

- Marjolein Hoogervorst voor haar bereidheid mijn begeleidster te zijn, haar hulp bij mijn planning en haar begeleiding door de criteria voor het Extended Essay.

- Jaap van Bruchem voor het leveren van gewaarmerkte GM en Natuurlijke Soja bonen.
 
 
 
 
Back

Home Talk2000