Talk:Illusiologie

From Talk2000.NL

Jump to: navigation, search

ingekomen reactie:


[edit] Normen en waarden…wat kunnen we er nog mee in het ik-tijdperk?

Eenheid in versplintering

Onze moderne wereldsamenleving lijkt steeds meer uit elkaar te vallen in kleiner wordende en zich afsplitsende eenheden. De samenhang tussen mensen, culturen, volkeren en daarmee de behoefte aan een vervullende verbinding lijkt steeds minder voelbaar. Terwijl de individuele mens in vroeger tijden als vanzelf nog deel uitmaakte van hechte sociale verbanden en gemeenschappen komt de mens in onze tijd in toenemende mate op zichzelf te staan. Van een sociale eenheid kunnen we steeds minder spreken. We komen nu tot een toenemende individualisering en hebben daarvoor nieuwe noodzakelijke levensstructuren nodig. In sommige psychologische stromingen wordt dit gegeven van een individualiserend veranderingsproces benadrukt en wordt er vanuit gegaan dat ieder mens een uniek wezen is; elk individu is als het ware een ‘soort’ op zich. Maar waarin uit zich dan die uniciteit en eigenheid van ieder individu en hoe verhoudt zich die tot de sociale behoeften in de mens, tot de behoefte zich ergens mee verbonden te voelen? Tegelijkertijd met de toenemende individualisering vindt er een globalisering plaats, waardoor er een soort culturele ‘eenheidsworst’ ontstaat van Coca Cola, McDonalds, MTV en andere collectieve commercieel gerichte trends. Plaatselijke culturen en gebruiken worden overschaduwd door de dominante economisch bepaalde westerse cultuur. Daarmee lijken individuele en collectieve verschillen ook weer te worden geminimaliseerd en in conflict te raken met een opgelegde globalisering.


De groepsgeest

Wanneer men kijkt naar hoe mensen binnen een samenleving als bijvoorbeeld de Nederlandse zich gedragen en in de twintigste eeuw hebben gedragen, dan kan men waarnemen dat er, uiterlijk gezien, weinig unieks te ervaren valt aan het grootste deel van de bevolking. De meeste mensen schijnen er alles aan te doen om een leven te leiden dat hen juist niet doet onderscheiden van de gangbare stroom, de gangbare normen en waarden en de als gangbaar geldende opvattingen over de werkelijkheid. Men ziet dan dat de meeste mensen zich van buitenaf laten bepalen door beïnvloedende omgevingsfactoren als een normerende en wetgevende staat, de media, mode, trends en rages en meningen van anderen. Loesje zegt het zo mooi: “Wees jezelf, er zijn al zoveel anderen”. Waarmee zij wellicht wil aangeven dat maar weinig mensen hun uniekzijn durven te ervaren en tot uitdrukking durven of kunnen brengen. Men gaat jaarlijks in grote getale bijna verplicht op volksverhuizing naar warme stranden, campings, mooie natuurgebieden of op wintersport, of men bezoekt en masse grootschalige evenementen. Mensen lijken elkaar toch telkens weer op te willen zoeken om iets met elkaar te delen. Vaak hoort men dat er over smaak en voorkeuren niet te twisten valt. Toch schijnen velen niet te beseffen hoezeer ze in hun (smaak)ontwikkeling bepaald worden door invloeden van buitenaf, die met name een commercieel karakter hebben. Het consumentengedrag wordt voornamelijk bepaald door de commercie en de reclame-industrie en heeft daarmee een uniformerende uitwerking.

De behoefte aan saamhorigheid laat zich hierin duidelijk zien. Blijkbaar hebben velen grote moeite met het op zichzelf staan of op zichzelf teruggeworpen te worden. Als argument wordt daar dan vaak voor aangevoerd dat de mens nu een eenmaal een sociaal kuddedier is. Maar zijn dat soort massale gedragingen wel werkelijk een uiting van de behoefte aan een wezenlijke verbinding in de mens? Wat is sociaal? Het blijkt dat ook de opvattingen daarover door omgevingsfactoren bepaald worden. Zo wordt bijvoorbeeld onder sociaal verstaan alles dat te maken heeft met anderen in contact te zijn en te communiceren. Te oordelen naar wat men binnen onze samenleving de ‘sociale sector’ noemt, de gezondheidszorg en het welzijnswerk, wordt onder sociaal ook verstaan; dienstverlening. Dat het begrip sociaal in de loop der tijd ook een meer economische invulling heeft gekregen, wordt duidelijk wanneer men kijkt naar waar het ministerie van Sociale Zaken zich mee bezig houdt. Namelijk vooral met ‘sociale’ verzekeringswetten en uitkeringen. Alsof het sociale zich zou kunnen uitdrukken in een economische wetmatigheid waarvoor men zich moet verzekeren.

In de sociologie wordt het begrip socialisatie gebruikt voor het proces van aanpassing aan de normen binnen de samenleving. In de geestelijke gezondheidszorg kent men het begrip resocialisatie. Hieronder wordt verstaan dat men mensen in beschermde instellingssituaties weer voorbereidt op een grotere deelname aan de samenleving. Uit mijn eigen werkervaring binnen de geestelijke gezondheidszorg is mij gebleken dat dit soort resocialisatie een vruchteloos proces lijkt te zijn. Daar de samenleving steeds antisocialer aan het worden is, door een toenemende verzakelijking en verharding van het maatschappelijk klimaat, is een werkelijke resocialisatie praktisch onmogelijk. Het doet mensen dan ook regelmatig terugvallen op de zorg vanuit de instelling.

Dit roept de vraag op of onze samenleving in haar huidige vorm het nog wel waard is om zich bij aan te willen passen en of die samenleving nog wel sociaal is. Het blijkt namelijk dat steeds meer mensen buiten de samenlevingsboot vallen en het psychisch-emotioneel niet meer kunnen bolwerken om deel te blijven nemen aan de verharding en verzakelijking. Mensen komen met hun gevoel in de knoop, daar er een toenemend beroep wordt gedaan op intellectuele capaciteiten en de gevoelsmatige kwaliteiten van mensen meer en meer buiten beeld raken. Het toenemende beroep op de geestelijke gezondheidszorg geeft daarom duidelijk aan dat er iets fundamenteel fout is in onze samenleving. Helaas komen mensen dan ook nog in een zorgcircuit terecht waar ook de verzakelijking aan invloed wint. Men wil ook van die zorg een markt maken. Waardoor toch al kwetsbare mensen aan dezelfde economische mechanismen worden blootgesteld, binnen een gebied waar ze er juist tegen beschermd zouden moeten worden. Hetgeen zeker geen garantie biedt voor een helende behandeling. Er is dus geen enkel samenlevingsgebied meer waar de verzakelijking en de marktwerking geen rol spelen en waar er aan het marktdenken te ontkomen valt.

Daarnaast spelen de snel voortschrijdende technologie en de automatisering ook een grote rol bij het op de achtergrond verdwijnen van een beleefbare sociale samenhang binnen de samenleving. Ook de dienstverlening wordt in een snel tempo geautomatiseerd en verliest daarmee haar menselijk verbindende karakter. Ze wordt afstandelijker en koud. Met bovenstaande opsomming van interpretaties van het begrip sociaal heb ik willen laten zien dat de invulling van dat begrip in toenemende mate aan erosie onderhevig is en ver verwijderd raakt van haar oorspronkelijke betekenis.

In mijn beleving betekent sociaal, dat men vanuit een gevoel van wezenlijke verbinding met anderen bereidt is bij te willen dragen aan het welzijn van die anderen, zonder daarbij gehecht te zijn aan het resultaat. Juist dit verbindende aspect, in de vorm van onvoorwaardelijke intermenselijke aandacht voor elkaar, heeft een helend karakter. Aandacht is als een groeimiddel. Zie wat een gebrekkige aandacht voor gevolgen heeft voor de emotionele ontwikkeling van een kind. Volwassenen hebben even zo goed een fundamentele behoefte aan een wezenlijke betrokkenheid en aandacht en aan mogelijkheden om zichzelf op een eigen wijze uit te kunnen drukken.


Ooit een normaal mens ontmoet?

Een typisch Nederlandse uitspraak is: “Doe maar normaal, dan doe je al gek genoeg”. In de jaren zeventig van de vorige eeuw heeft de vereniging voor psychiatrische patiënten, de Stichting Pandora, een spiegelende poster in omloop gebracht met daarop de tekst: “Ooit een normaal mens ontmoet? ………En beviel het?” Wat bedoelen we dan met de term ‘normaal’, die vaak zo erg gemakkelijk wordt gebruikt om aan te tonen dat het gedrag van iemand afwijkend is? Normaal lijkt een verzamelbegrip te zijn van vaak ongeschreven en onuitgesproken normen en waarden, waar ieder het zijne/hare bij kan invullen. Het feit dat velen zich achter het begrip normaal verschuilen, door te denken een normaal leven te leiden volgens de algemeen geldende normen en waarden, zegt meer over de angst van die mensen om zichzelf te durven zijn dan over de inhoud van het begrip normaal. Het begrip normaal heeft dan ook alles met normen te maken. Beide woorden hebben dezelfde stam. Dus normaal betekent eigenlijk: volgens de norm. Interessant is het dan natuurlijk om te onderzoeken wie die norm bepaalt en of de bepalende norm wel aansluit bij het werkelijk sociale in de mens. Dus of die norm wel meegroeit met veranderende sociale behoeften. De sociale behoeften van de moderne mens zijn immers anders dan die van de mens van vijftig, of misschien zelfs twintig jaar geleden.


Normen en waarden als tijdgebonden principes

Normen zijn zeer relatief en tijd- en cultuurgebonden. In het algemeen worden normen overgedragen door de opvoeding, zowel door ouders als onderwijskrachten. Sommige normen worden daardoor van generatie op generatie overgedragen. Soms lijken ze daarom tijdloos te zijn. Totdat iemand zich af gaat vragen waarom bepaalde normen gehanteerd worden en tot de ontdekking komt, zich daar niet meer in te herkennen en het dus anders te willen. Dat kan een bewustwordingsproces op gang brengen bij meerdere mensen, waardoor een veranderingsproces in gang wordt gezet. Vaak hebben jongeren en jongvolwassenen deze rol in de afgelopen eeuw vervuld.

Wanneer men het bekende normen- en waardenpatroon gaat doorbreken roept dat in eerste instantie vaak verzet op, vanwege de angst voor verandering en het onbekende. De meeste mensen zijn bang voor verandering, daar ze een grote behoefte hebben aan zekerheden. Zekerheid en een vaststaande structuur bieden duidelijkheid en veiligheid. Daarnaast vinden veel mensen het lastig om zelf keuzes te moeten maken en daarmee houden zij liever vast aan bestaande normen, die de mogelijkheid bieden om geen verantwoordelijkheid te hoeven nemen voor het eigen leven. De vaststaande normenstructuur is voor hen als het ware het fundament waar het eigen levenshuis op gebouwd is.

Deze levenshouding hangt vooral samen met een oude en nauwelijks meer bestaande sociale samenhang. In vroeger tijden leefde de mens in hechte sociale gemeenschappen, die een dragende structuur boden voor het leven van de gemeenschapsleden. Het collectief, de gemeenschap was het belangrijkste en de individuele mens was slechts een radertje in het geheel. De zin en betekenis van het leven waren verbonden met de gemeenschap. Omwille van de instandhouding van de gemeenschap waren voorschriften en regels nodig, waar de normering voor het gedrag op gebaseerd was. Het individu was daarbij van minder belang en bovenal waren mensen zich niet zo bewust van hun individualiteit. Men hield zich niet zo met het eigen gevoelsleven bezig. Op basis van dit gegeven werd de samenleving georganiseerd.

De kleinschaligheid van vroegere stam-, dorps- en stadssamenlevingen is in de loop van de geschiedenis verandert in een nationale samenleving en ontwikkelt zich nu verder in een steeds groter wordende internationale wereldsamenleving. Het verloor daardoor steeds meer de menselijke maat uit het oog. Naarmate dit vergrotingsproces vorderde werd de mens anoniemer en werden de beschermende sociale verbindingen losser. In tegenstelling tot vroeger tijden is de laatste honderd jaar het begrip samenleving op een steeds groter wordend geheel toegepast.

Voor het vormen en instandhouden van een samenleving was het dus nodig om voorschriften en regels in te stellen. Naast de beschermende functie ten aanzien van het gemeenschapsleven was dat ook noodzakelijk om een gemeenschappelijk culturele ontwikkeling mogelijk te maken. De beschermende normenstructuur gaf een dragende en veilige kracht voor de gemeenschap om tot een gemeenschappelijk cultureel beleven te komen. Culturele ontwikkeling is wat de mens onderscheidt van de dierenwereld. Cultuur is een weergave van hoe de mens zichzelf en zijn omgeving ervaart. Veelal speelde kunstzinnigheid daarbij een grote rol. Kunstzinnigheid in de vorm van voorwerpen, maar ook in de vorm van beeldtaal. Kunstzinnigheid is een uiting van een gevoelsmatige beleving.

In voorbije tijden hing die cultuur voornamelijk samen met de natuurlijke omgeving van de mens. Hetgeen uit afbeeldingen van oudere culturen is af te leiden. Naarmate de mens meer over het leven ging nadenken, distantieerde hij zich meer en meer van die natuur. Door het nadenken over het leven plaatste de mens zichzelf buiten de levenssamenhang. De daardoor ontstane afstand schiep een grotere onafhankelijkheid, hij emancipeerde zichzelf ten opzichte van de natuur, maar ook een afnemende gevoelsmatige betrokkenheid bij het leven. Het verliezen van de menselijke maat droeg er aan bij dat men zich minder kon identificeren met het steeds groter en complexer wordende bestuurlijk organisatorische systeem. Dit proces is nog steeds gaande.


Misbruik van de natuur

De mens ging op grotere schaal de natuur gebruiken om in de zich veranderende ontwikkelingsbehoeften te kunnen voorzien. Hij ging de natuur meer exploiteren en er meer van gebruiken dan noodzakelijk was om in zijn fundamentele levensbehoeften te voorzien, daar hij er zich minder mee verbonden en dus ook minder verantwoordelijk voor voelde. Op basis daarvan is in de loop der tijd onze consumptiemaatschappij ontstaan, waarin het willen hebben van steeds maar meer bezit niet meer samenhangt met een noodzakelijke levensbehoefte. In onze tijd is het nadenken over het leven zo ver van de natuur verwijderd geraakt, dat we ook geen inzicht meer hebben in de samenhang binnen de natuur en hebben we een cultuur geschapen die dat weerspiegelt. We leven nu in een cultuur waarin het evenwicht ver te zoeken is en de mens op zodanige wijze met de natuur omgaat, dat hij deze uitput en geen zicht heeft op de gevolgen die daaruit voortkomen. Dit vloeit allemaal voort uit het verliezen van het gevoel voor de menselijke maat.

De aard van het denken waar onze huidige cultuur en samenleving op gegrondvest zijn, is de oorzaak van vele van de zich nu openbarende problemen. Dat denken is met name analytisch van aard en vindt in het hoofd plaats, het zogenaamde rationalisme. En het is een natuurlijk en logisch gegeven dat een eenzijdig analytisch denken, dat gericht is op het scheiden van zaken, uiteindelijk de samenhang uit het oog en voornamelijk uit het hart verliest. De woorden van Descartes “Ik denk, dus ik ben”, hebben bijgedragen aan een overmatige identificatie met dat rationeel-analytische denken. Aan het eind van de achttiende eeuw ontstond op basis daarvan het Verlichtingsdenken. Nu wij sinds die tijd ruimschoots hebben kunnen ‘genieten’ van de vruchten van die Verlichting kunnen we ons serieus afvragen, wat er dan verlicht is. Is ons gehele menselijke wezen er door verlicht of heeft men alleen de materie er mee ‘verlicht’?

De verbinding met de natuur is een voorwaarde voor het leven, daar wij voor het in stand houden van onze lichamelijkheid zijn aangewezen op producten uit die natuur. De levenssamenhang tussen mens en natuur was daarom dan ook in vroeger tijden de basis voor de cultuurvorming. Men had toen een soort van instinctief weten van die verbinding. die samenhing met een gevoelsmatige beleving.


Taal en betekenis

De Nederlandse taal is een bijzonder rijke en diepgaande taal, wanneer men dat wilt zien. Zo is het woord beleving, waar het woord‘ leven’ in zit, verbonden met onze gevoelsmatige natuur. Beleven doe je niet met je hoofd. Door je gevoelsmatig met iets te verbinden, be-leef je het, wek je het in jezelf tot leven. Het ervaren van een gevoelsmatige verbinding is daarom voedend, leven gevend en helend. Onze tegenwoordige cultuur heeft door de aard van het analytisch denken ons van het leven gescheiden en ons daardoor meer met de dood verbonden. Doordat het alleen in het hoofd plaats vindt wordt de rest van ons wezen, zoals ons gevoel dat immers irrationeel is, buiten beschouwing gelaten. Het gevoel is echter het gebied waar verbindingen beleefbaar genaakt kunnen worden en ook de maat der dingen. De afgescheidenheid die uit het rationeel-analytische denken voortvloeit maakt de mens daarom emotioneel hongerig op een niet te bevredigen wijze.

Daar het analytisch denken gericht is op het uit elkaar trekken van in een levende samenhang verbonden zaken, is het een doods denken. Het kan dan ook alleen maar doodse zaken voortbrengen. Het leven laat zich ervaren in beweeglijkheid en verandering, het wil kunnen stromen. Voorwaarde daarvoor zijn nu juist die gevoelsmatige verbindingen. De doodse kunstmatigheid van een toenemend aantal gebieden in onze samenleving is een logisch voortbrengsel van dit denken. De doodse kunstmatige intelligentie van computers is dan ook een schril contrast met de levendige emotionele en sociale intelligentie die wij als mensen kunnen ontwikkelen. Hieruit mag duidelijk worden dat het eenzijdig analytisch denken ons van het leven in onszelf heeft afgesneden. Het woord samenleving is eigenlijk dan ook steeds minder van toepassing op onze cultuur. Men zou voor onze destructieve cultuur, die zich richt op het vernietigen van het leven, eigenlijk een nieuwe benaming moeten vinden. Bijvoorbeeld een samendoding.


Wetenschap en analyse

Het analytisch denken heeft een wetenschap voortgebracht die de natuur onderzoekt door haar in haar opbouwende losse componenten uiteen te trekken, die te bestuderen en vervolgens op een kunstmatige wijze te herscheppen. Controle en beheersbaarheid zijn daarbij de belangrijkste drijfveren. Want alles dat gecontroleerd en beheerst kan worden, is tevens maakbaar en commercieel uit te buiten. De wetenschap heeft ook de relatie tussen de mens en zijn natuurlijke en sociale omgeving uit elkaar getrokken en daardoor van haar levenskwaliteit ontdaan. Tevens werd die daardoor vatbaar gemaakt voor commercieel uit te buiten kunstmatige herscheppingen van ´sociale´ structuren. De onvrede met de doodsheid er van wordt onder andere binnen onze cultuur zichtbaar in de enorme behoefte aan voelen en beleven. Hetgeen zich laat zien in de grote rol die seksualiteit, drugs- en alcoholgebruik spelen, het zoeken naar steeds opwindender adrenalinekicks en de aandacht voor muziek en film etc. Ook deze zaken worden echter weer op een commerciële wijze binnen de samenleving aangeboden.


Gevoel en verantwoordelijkheid

Meestal werkt het zo dat men voor iets waar men zich gevoelsmatig niet mee verbonden voelt, ook geen verantwoordelijkheid kan voelen. Want ook verantwoordelijkheid is een gevoelsmatige aangelegenheid. Daar het ervaren van een gevoelsmatige verbinding een betrokkenheid oproept, roept het tevens de behoefte op om die betrokkenheid vorm te geven en ervaarbaar te laten zijn in het bij willen dragen aan het welzijn van hetgeen waar men die verbinding mee ervaart. Dit is mijns inziens ook wat men een gevoel van verantwoordelijkheid zou kunnen noemen.

Het afwezig zijn daarvan laat zich onder andere herkennen in het mishandelen van dieren omwille van onderzoek. Oorzaak van dit gegeven ligt in het standpunt dat de wetenschappelijk onderzoeker bij het onderzoek, in het kader van een totale objectiviteit, zichzelf als waarnemer van het onderzochte buiten beschouwing moet laten. Deze analytische instelling trekt de relatie tussen onderzoeker en het onderzochte uit elkaar. De in deze geest opgeleide wetenschapper ervaart dus geen enkele innerlijke verbinding meer met zijn onderzoeksobject, dientengevolge kan hij ook geen enkele verantwoordelijkheid voelen voor hetgeen hij onderzoekt.

Hetgeen hij onderzoekt is slechts een object van studie. Het gebruik van proefdieren, die op de meest wrede manieren werden en nog worden gebruikt, is alleen begrijpelijk als men inziet dat de onderzoeker totaal geen innerlijk gevoelsmatige verbinding ervaart met hetgeen hij onderzoekt. Medische experimenten met mensen in oorlogs- én vredestijd zijn ook alleen te begrijpen als men de bovenbeschreven verloren verbinding tussen onderzoeker en onderzoeksobject doorziet. Ook het martelen van mensen kan alleen voortkomen uit een totale gevoelsmatige afgescheidenheid van de beul ten opzichte van zijn slachtoffers en in feite van een totale afgescheidenheid ten opzichte van een gevoelsmatige beleving van zichzelf.

De wetenschap heeft in de loop der tijd de geestelijk opvoedende taak van de mens overgenomen van de religie. Nu vertelt de wetenschap ons wat waar is en hoe we moeten leven, waar dit vroeger door de religie werd bepaald. Vroeger leefden de kerkelijke autoriteiten ons voor hoe men een zinvol leven moest leiden. Nu bepaalt het wetenschappelijk rationele denken onze ‘samenleving’. Sinds de analytische wetenschap de religieuze beleving als niet wetenschappelijk heeft verklaard, daar deze niet te bewijzen, te kwantificeren en te beheersen valt, is dit gevoelsmatige aspect van de mens tot bijgeloof en voor onze ontwikkeling als niet relevant verklaard. Het gevolg is dus wel dat er een cultuur is ontstaan waarin doodsheid, vernietiging en kunstmatigheid hebben geleid tot vele sociale en ecologische problemen. Daar ook de wetenschappelijk opgeleide politici en hun ambtenaren door een analytische bril naar de samenleving kijken en dus geen samenhang kunnen waarnemen, dragen hun beleid en beslissingen voor een groot deel bij aan een toenemende sociale chaotisering.


Grootschaligheid

Naarmate het woord samenleving een steeds grootschaliger invulling krijgt en de individuele mens steeds anoniemer wordt, zal het hele normen en waardenstelsel ook een andere invulling MOETEN krijgen. Want wanneer een mens gevoelsmatig steeds minder een verbinding ervaart met de samenleving waar hij deel vanuit maakt, zal hij zich ook steeds minder betrokken voelen bij en verantwoordelijk voelen voor het welzijn van die gemeenschap. Het feit dat de individuele mens, wat zijn innerlijke ontwikkeling betreft, steeds meer op zichzelf wordt teruggeworpen dwingt hem er toe om voornamelijk aan zijn eigen welzijn te denken en daarvoor te strijden.

Dit alles heeft dus met name te maken met hoe de samenleving is ingericht en zich verder ontwikkelt. Het buiten beschouwing laten van het gevoelsleven door de opvoedende wetenschap laat ons steeds meer uit het oog verliezen wat sociaal is. De norm die de wetenschappelijk opgeleide politici hanteren voor het inrichten van de ‘samenleving’ is geen menselijke norm, daar die ons buiten de verbinding met het leven in onszelf plaatst. Dit heeft een ontmenselijkende uitwerking. En aangezien de moderne wetenschap voornamelijk bezig is met automatisering, want zonder de computer zou die wetenschap niet kunnen bestaan, dreigen wij als mens ook tot automaten gemaakt te worden. Die enkel in staat worden geacht om de tot bepalende norm verheven ingeprogrammeerde denktrant uit te voeren.

Was de mens in vroeger tijden, vanwege de zeer bepalende invloed van de georganiseerde religie, een soort van religieuze automaat. En voerde hij de regels en bepalingen van de religieuze meesters uit. Nu in onze geavanceerde technologische samenleving worden we door de opvoedende wetenschap en politici omgevormd tot uiteindelijk een steeds mechanischer wordende automaat. Wanneer men de ontwikkelingen in de biotechnologie beschouwd en die doortrekt naar de toekomst dan doemt er een duidelijker wordend beeld op van de mens als cyborg. Er doemt dan een beeld op van een biologische robot, die volledig beheersbaar en controleerbaar is. Dat er bij de vormgeving van de hardware van een computer al in termen van meester en slaaf werd gedacht wordt duidelijk wanneer tijdens het opstarten van de computer de termen primary en secondary master en slave op het scherm verschijnen.


Verantwoordelijkheid en de overheid

De toenemende leemte bij individuen ten aanzien van het verantwoordelijkheid voelen voor het geheel van de samenleving komt logischerwijs op het bord terecht van de overheid. Deze wil die leemte dan ook maar al te graag invullen. De overheid in de vorm van de staat kan zich echter niet om individuele belangen bekommeren, onder andere doordat zij deel uitmaakt van een grotere internationale en met name economisch bepaalde belangenstructuur. Hier gelden hele andere belangen dan die van het individu. Hoe staten met individuen omgaan is in de geschiedenis en ook nu nog duidelijk zichtbaar: er is sprake van een gemak waarmee het leven van hun individuele leden opgeofferd wordt door oorlogen en een oneerlijke verdeling van welvaart. H.G. Wells schreef in zijn boek ‘The Open Conspiracy’ dat de Staat tot de nieuwe godsdienst verheven moet worden, daar deze in onze wereld het enige continuüm is en daarmee het eeuwige vertegenwoordigt. Het individu is vergankelijk en moet zich in zijn visie dan ook onderwerpen aan de Staat om zo toegang te krijgen tot die eeuwigheid. Hij onderstreepte daarmee dat het individu van geen belang is. De huidige Nieuwe Wereld Orde is voor het grootste deel gebaseerd op de ideeën van Wells c.s.

De afstand tussen individu en de internationale belangen van de langzamerhand ontstane wereldstaat is te groot om op een gezonde manier de belangen van het individu te kunnen waarborgen. Bovendien is die huidige staatsvorm voor het belangrijkste deel voortgekomen uit het analytische denken van de intellectueel opgeleide economische managerselite. Aangezien deze managerselite zich alleen bezig kan houden met het beheersbaar maken van de organisatie van de samenleving, hetgeen nu eenmaal de aard van het managen is, is zij niet in staat om te ervaren wat de wezenlijke behoeften zijn van het moderne individu.

Zij kan daarom ook geen weet hebben van wat sociaal is, daar het sociale in de mens nu eenmaal met zijn belevings- en dus gevoelswereld samenhangt. In de politiek van de staat is dit dan ook duidelijk te herkennen. Belangrijke en ingrijpende maatregelen, die van invloed kunnen zijn op de levens van vele individuen, worden door analytisch opgeleide ambtenaren uitgedacht en door regeringen en ‘volksvertegenwoordigingen’ aangenomen en uitgevoerd. Dat die ambtenaren vanachter hun bureau de samenleving alleen maar als een technisch bouwwerk, een raderwerk kunnen beschouwen komt tot uitdrukking in de naam die soms aan ambtenaren wordt gegeven, namelijk technocraten. Hun analytische opleiding heeft hen blind gemaakt voor de alleen gevoelsmatig te herkennen sociale samenhang binnen een samenleving.

Daar zij veelal ook alleen maar doen wat hun opgedragen wordt en daarbij voornamelijk resultaatgericht zijn, kunnen zij veelal geen verantwoordelijkheid voelen voor de gevolgen van hun technocratische gedachtespinsels, die tot beperkende regelgeving en voorschriften leiden. De basis van het analytische denken is namelijk het op willen lossen van technische problemen. Voor de ambtenaren betekenen die oplossingen dan vaak het bedenken van nog meer regels en voorschriften, om daarmee het geconstateerde probleem beheersbaar te maken. Hun technische van ieder gevoel ontdane besluiten kunnen uiteindelijk niet anders dan in conflict komen met de gevoelsmatige individuele belevingswerelden van mensen.

De staat, c.q. de overheid is hierdoor steeds meer normenbepalend en kapselt het individu meer en meer in, in een oerwoud van voorschriften en regelgeving. De staat vult de leegte op die ontstaat door de desintegratie van kleinere sociale eenheden. Maar kan dat zo wel doorgaan? Ergens moet dat een keer totaal fout lopen. De overheid kan tenslotte door de aard van haar organisatiestructuur en de aard van het denken dat daar aan ten grondslag ligt, in het geheel geen besef hebben van individuele behoeften. Waarmee zij dus een wezenlijk onderdeel en een belangrijke oorzaak vormt van de toenemende sociale problemen. Zij is alleen gericht op instandhouding van het collectief en vertegenwoordigt dus vaak niet de belangen van haar individuele leden. Want als ieder individu uniek is en een soort op zichzelf betekent dat, dat er geen algemeen geldende voorschriften en regels meer van toepassing kunnen zijn op dat individu. Die doen immers geen recht aan het tot uiting kunnen brengen van de eigen uniciteit.

De staat heeft de neiging voor ons te willen bepalen wat zin- en betekenisgeving inhoudt ten aanzien van gebeurtenissen in de buitenwereld. Zij legt ons daarmee haar visie op de wereld op, die gebaseerd is op haar belangenbehartiging. Men hoort dit vaak verwoord worden in de frasering van nationale- en veiligheidsbelangen. Maar om wiens veiligheid gaat het hierbij dan eigenlijk? Om die van de staat of die van het individu? Gezien de toenemende aanscherping van restrictieve wetgeving en een beperking van de privacy, in het kader van de oorlog tegen het terrorisme, mag duidelijk worden dat de individuele belangen van mensen steeds meer moeten wijken voor de belangen van de staat en haar internationale organisatiestructuur. Het bijzonder buitengewone optreden van een groep rechters, die in 2005 tot twee maal toe publiekelijk hun ernstige zorgen uitspraken over de richting waarin de antiterrorismewetgeving de samenleving doet gaan, spreekt mijns inziens boekdelen. Het geheel lijkt er op te wijzen dat de belangen van de staat en het individu steeds minder overeenkomen en het individu tegenover de staat komt te staan.


Kartelvorming in de politiek

De politicoloog André Krouwel lijkt dit te bevestigen door in een artikel in Trouw van 8 juli 2006 te constateren, dat de drie grote Nederlandse partijen PvdA, CDA en VVD een kartel hebben gevormd. Zij zijn in hun opvattingen zodanig dicht naar elkaar geschoven, dat ze in iedere gewenste combinatie kunnen regeren en dat de kleur van de combinatie niets uitmaakt ten aanzien van het te voeren beleid. Ook constateert hij dat deze partijen hun kamerleden alleen maar meer rekruteren uit het door de staat betaalde ambtenarenapparaat. Dit zorgt er voor dat die kamerleden geen enkele binding hebben met de burgers.

Krouwel:

“Volksvertegenwoordigers zijn staatsvertegenwoordigers geworden: kamerleden vertegenwoordigen niet langer bevolkingsgroepen in de staat, maar vertegenwoordigen en rechtvaardigen die staat naar de samenleving toe. Hierdoor kunnen burgers niet langer het onderscheid maken tussen het optreden van hun politieke vertegenwoordigers en staatshandelingen: de staat is partijdig. Burgers komen tegenover de staat te staan.“ ….

Hij stelt verder nog vast dat de kartelpartijen voor hun inkomsten niet meer afhankelijk zijn van hun leden, maar hun inkomsten via de staat verkrijgen. De leden fungeren in zijn visie nog enkel als een applausmachine. Deze constateringen van Krouwel roepen bij mij beelden op van de voormalige communistische Oostblokstaten. Krouwels vaststellingen geven dus duidelijk aan dat de staat een macht an sich aan het worden is, die niet meer controleerbaar, corrigeerbaar en aanspreekbaar is. Zie hier het aanvankelijk langzame, maar nu steeds snellere afglijden naar een staatskapitalistisch communisme, zoals zich dat nu ook in Nederland aan het voltrekken is. De op collectivisme gerichte internationaal-financiële managerselite doet ook in Nederland haar uiterste best om de bevolking voor te bereiden op een overgang naar de nieuwe godsdienst van de Staat, maar dan op wereldniveau.

De verwevenheid van politieke en multinationale belangen als uiting van de partijdigheid van de Staat, is in de laatste Amerikaanse verkiezingen opnieuw schrijnend bevestigd. De heer Bush zei in een toespraak tijdens een verkiezingsbanket tot een publiek dat bestond uit de rijkere laag van de Amerikaanse samenleving, zoals te zien en te horen is in de film ‘Fahrenheit 9/11’ van Michael Moore:” You are the haves and the havemores. Some call you the elite. I call you my base.” Als men de uitspraak van Bush “Wie niet voor mij is, die is tegen (de Staat) mij” daarnaast plaatst, dan wordt helemaal duidelijk dat wanneer men de Staat zijn gang laat gaan dit weinig goeds belooft voor het voortbestaan van het individu.

De media, die voornamelijk in handen zijn van de managerselite, spelen een belangrijke rol in het overbrengen van de zin- en betekenisgeving van de staat en zijn er op gericht om onze aandacht vooral te richten op schokkende grote wereldgebeurtenissen. Dit is een soort van afleidende en dus misleidende truc om ons een machteloos gevoel te geven. Dat gevoel van machteloosheid maakt het voor de managerselite gemakkelijker om de publieke opinie via de media in de gewenste richting te masseren.

Deze wereldgebeurtenissen worden in toenemende mate gebruikt, door in ons individuele leven nog meer beperkende regelgeving en voorschriften te legitimeren. Voorbeelden hiervan zijn de legitimatieplicht vanaf veertien jaar, de wetgeving ten aanzien van het bewaren van providergegevens van het telefoon- en internetverkeer van individuen voor de duur van vijf jaar en het toepassen van steeds geavanceerder controletechnologie in paspoorten. Daarnaast heeft men de wetgeving gericht op het strafbaar stellen van het ontkennen van de Holocaust, het goedpraten en/of verheerlijken van terrorisme aangescherpt. Dat laatste geeft de Staat de mogelijkheid om ieder individu, die het niet eens is met het door de staat gevoerde beleid tot terrorist te verklaren en deze te vervolgen. Het is de volgende stap van de staat op de weg naar een totalitair bestuur.

Wil het individu als zodanig zijn eigen individualiteit nog kunnen ontwikkelen en zijn belangen kunnen waarborgen, dan zal hij uiteindelijk niet anders kunnen dan burgerlijk ongehoorzaam te zijn. Het fundamentele mensenrecht om zichzelf te kunnen zijn en zichzelf op een eigen wijze tot uitdrukking te kunnen brengen, brengt hem in een onvermijdelijk conflict met de op een algemene beheersbaarheid gerichte staat. Wil het individu zijn eigen sociale karakter ontdekken, dan zal hij dat op een eigen wijze moeten kunnen doen. Ik ga er vanuit dat de mens in wezen goed is en daarom ook het goede met anderen voor heeft.

Hij kan echter alleen tot een besef van dat wezenlijk goede in zichzelf komen als hij zijn eigen leven weer gaat beleven en zich daar ook zelf verantwoordelijk voor gaat voelen. Hij zal dan dat gevoel van verantwoordelijkheid voor zijn leven ook op een eigen wijze tot uitdrukking moeten kunnen brengen. Wanneer een mens niet meer zijn eigen creatieve impulsen tot uitdrukking kan brengen, omwille van de neiging tot beheersbaarheid en controledwang van de staat, dan kan hij een wezenlijk deel van zijn eigenheid niet meer beleven en tot ontwikkeling brengen. Zijn eigenheid en individualiteit worden verstikt omwille van het moeten voldoen aan een algemene regelgeving. Daar de mens in zijn wezen sociaal is, zal hij vanuit dat wezen ook sociaal handelen, als hij dus maar de gelegenheid krijgt om dat op een eigen manier tot uitdrukking te brengen.

Vanzelfsprekend heeft iedere samenlevingsvorm een structuur en organisatie nodig, waarbij onderlinge afspraken die gebaseerd zijn op een menselijke maat en wederzijds respect van vitaal belang zijn. De vanuit het analytisch-rationalisme ontstane normenstructuur die de staat steeds meer aan ons opdringt, waarbij het gevoelsmatig beleven dus buiten beschouwing blijft, kan daarom ook niet anders dan antisociaal zijn en een antisociale samenleving voortbrengen. Het is enkel en alleen gericht op het instandhouden en versterken van het staatssysteem. Het systeem gaat op deze wijze een eigen leven leiden, waarin niemand zich meer voor zichzelf en voor elkaar verantwoordelijk voelt. Wat dat met een samenleving doet mag duidelijk geworden zijn in de Sovjet Unie en haar Oost-Europese vazalstaten, waar de managerselite een socialistisch experiment heeft uitgevoerd.


Het moderne dilemma

We komen hier dus voor een absoluut dilemma te staan. Hoe kan een samenleving zodanig vorm krijgen dat de belangen en ontwikkelingsmogelijkheden van ieder individu gewaarborgd zijn en tevens een noodzakelijke orde en structuur bieden? Daar is in ieder geval een heel andere wijze van denken voor nodig, die een groter begrip omvat van het wezen van de mens. Mijns inziens is het daarvoor noodzakelijk dat in ieder geval ieder individu leert wat zijn eigen wezenlijke ontwikkelingsbelangen zijn; dat hij zichzelf leert kennen op een zo diep mogelijk niveau en zich dus bewust wordt van zijn eigen individualiteit met al zijn mogelijkheden en beperkingen. Daarvoor is het nodig een samenlevingsvorm te scheppen die dat proces van zelfontdekking mogelijk maakt en ondersteunt. Dit begint met het vormgeven van een ander onderwijssysteem. Want het is tenslotte de jeugd die de toekomst heeft en maakt. Wanneer het onderwijs gericht is op het helpen ontwikkelen van vrije individuen, die de gelegenheid krijgen om meer dan enkel hun analytische intellect te ontwikkelen, dan zal de samenleving die door deze vrije individuen wordt vormgegeven ook een werkelijk vrije samenleving zijn.


Een werkelijk vrije wereld kan alleen door werkelijk vrije individuen worden vormgegeven.

Het woord individualiteit betekent overigens ‘dat wat niet gedeeld kan worden’. Dit houdt in dat men zichzelf als een eenheid ervaart. Een eenheid van denken, voelen en willen. Hoe kan men zichzelf leren kennen op zo’n diep mogelijk niveau en zichzelf als een eenheid leren ervaren? Daarvoor is het nodig om de eenzijdig op de buitenwereld gerichte aandacht om te vormen naar een gerichtheid op de eigen binnenwereld. Door zichzelf te bestuderen in relatie tot zijn omgeving, leert men zichzelf kennen. Introspectie en zelfreflectie zijn de middelen om in de buitenwereld opgedane ervaringen in het eigen innerlijk een plek te geven en van een zin en betekenis te voorzien.

Het leren zien van de gevolgen van het eigen doen en laten en zich daar verantwoordelijk voor te leren voelen is een belangrijke basis voor het onderkennen van de eigen individualiteit. Dit geeft de mogelijkheid een individueel moraliteitsbesef te ontwikkelen. Voor het ontwikkelen van de individualiteit en het eigen leven ter hand te nemen is het een absolute voorwaarde om tot een individueel moraliteitsbesef te komen. Het eigen leven is tenslotte een leerschool, waarbij de opgedane levenservaringen het lesmateriaal zijn. Een opgelegde algemeen geldende moraal door een normenbepalende staat leidt, zoals de geschiedenis dat laat zien, per definitie tot machtsmisbruik en een dictatuur van de Staat.

Zin- en betekenisgeving zijn alleen op een persoonlijk niveau tot stand te brengen, daar de eigen levenservaringen iets zeggen over het eigen leven en de eigen persoonlijkheid en hoe die omgaat met de omgeving. Men kan daarbij tot een diep inzicht komen met betrekking tot de oorzaken van het eigen lijden en hoe daar mee om te gaan. Een alles bepalende opvoedende staat kan dat niet, daar zij door haar organisatiestructuur en dwingend opgelegde algemene moraal, vervreemdend werkt ten aanzien van de eigen individualiteit en dus alleen maar meer leed kan veroorzaken.


Vernieuwing

Tot slot kan men dus concluderen dat een wezenlijk sociale ontwikkeling naar de toekomst alleen gebaseerd kan zijn op het te ontwikkelen sociale gevoel van het individu. Daar de gemeenschap waar het individu deel vanuit maakt een steeds groter geheel omvat kan hij daar voor zijn sociale behoeften geen normen meer aan ontlenen. Want de normering die wordt ontleend aan het grote geheel van de Staat, waar hij zich op persoonlijk vlak niet meer mee kan identificeren, is zelfs vijandig aan zijn zich ontwikkelende individualiteit. Hij zal dus tot een eigen individueel bepaalde norm moeten komen. Hetgeen geheel past binnen het inzicht dat ieder mens een soort op zich is.

Uitgaande van de menselijke maat, die voor ieder mens vanwege het eigen ontwikkelingstempo anders kan zijn, zal een werkelijk sociale samenleving de mens de mogelijkheid moeten bieden om in totale vrijheid en met respect voor de vrijheid van anderen zichzelf te kunnen ontdekken en te kunnen uiten. Daarvoor is het nodig, om een diepergaand inzicht in het wezen van de mens te ontwikkelen. Een inzicht in zijn geestelijke oorsprong en bestemming, zijn lot. Binnen de wetenschap is zich al enkele decennia een vernieuwende ontwikkeling aan het aftekenen. Deze vernieuwende stroming heeft vele nieuwe inzichten te bieden betreffende de samenhang van alles en hoe wij als mens daar een plaats in kunnen innemen. Haar ontdekkingen laten zien dat een fundamentele eenheid en harmonie ten grondslag liggen aan de gehele schepping. Ook laat zij zien dat wij zelf onze eigen werkelijkheid scheppen en dat de basis van het door de mens ervaren leed ligt in de disharmonie en strijd in zijn eigen innerlijk, die hij op de buitenwereld projecteert. De vernieuwende inzichten van die stroming binnen de wetenschap zullen een grotere plek moeten krijgen in het vormgeven van de samenleving en met name in het onderwijzen van iedere nieuwe generatie.

De staat heeft ons vanwege haar antisociale karakter geen enkele toekomst te bieden, daar zij alleen gericht is op beheersing en controle. Aangezien onze beleving van de buitenwereld een projectie is van onze binnenwereld, zoals de vernieuwende wetenschap ons wil laten zien, is het dus van belang om in die binnenwereld de vrijheidsbeperkende mechanismen bloot te leggen en deze door acceptatie bewust te maken. Geweld eindigt, waar liefde begint. Ook in ons eigen innerlijk.

Het individualiseringsproces is binnen de ontwikkeling van de mensheid nog een vrij jong proces. We kunnen daardoor niet terugvallen op ervaringen van voorgaande culturen. Het is voor ieder van ons een ontdekkingsreis en leerschool, waarbij het eigen leven het beste lesmateriaal te bieden heeft. Het is de Hogeschool van het leven zelf waarin ieder de kracht en kwaliteiten van de eigen soort, de eigen individualiteit mag gaan ontdekken. Met recht kan men dan ook zeggen dat een ieder eigenwijs moet zijn om een eigen wijze van leven te ontwikkelen, die het beste past bij de ontwikkeling van de eigen unieke soort. Dit schept de mogelijkheid om de enorme potentie aan scheppingskracht op een individuele wijze vorm te geven. Door de verbinding met de andere unieke soorten en hun potentiële scheppingskracht kan er een totaal nieuwe werkelijkheid geschapen worden, waarin er een plek is voor iedereen.

De toekomst is aan het individu, opdat hij op gevoelsmatig niveau de eenheid en de daaruit voortkomende sociale samenhang kan ervaren en daar naar kan handelen. Wanneer het individu in vrijheid tot een besef kan komen van zijn wezenlijke verbinding met anderen, kan hij op basis daarvan komen tot het vormen van vrije gemeenschappen. Vrijheid, gelijkwaardigheid en broederschap zullen dan de uitgangspunten kunnen zijn van het menselijke samenleven.

The preceding unsigned comment was added by Arend (talk • contribs) 13:39, 21 Sep 2006.

[edit] Prof Noam Chomsky

Personal tools